Buitenschoolse cultuureducatie

Alle Brabanders moeten kunnen deelnemen aan cultuur. Hiervoor is een toekomstbestendige lokale culturele infrastructuur nodig. Deze infrastructuur vormt de basis voor amateurkunstbeoefening, community art en cultuureducatie in het onderwijs. Kwaliteit, toegankelijkheid, werkgelegenheid en goede arbeidsvoorwaarden moeten hierin geborgd zijn. 

Daarom werkt Kunstbalie samen met de provincie aan een dekkende infrastructuur voor buitenschoolse cultuureducatie, met goede regionale spreiding en laagdrempelige toegang.  

    Dit doen wij concreet door bij te dragen aan een actieplan waarmee we:

    • gemeenten adviseren over beleidsvorming buitenschoolse cultuureducatie, met advies op maat en met een scan voor gemeenten
    • de provincie ondersteunen bij het maken van bestuurlijke afspraken
    • kennisdeling en netwerkvorming stimuleren door bijeenkomsten en online platforms als DepotC
    • goede voorbeelden ondersteunen en zichtbaar maken op DepotC
    • het Jeugdcultuurfonds Brabant ondersteunen
    • de verbinding tussen binnen- en buitenschoolse cultuureducatie stimuleren

    Basis voor het actieplan: adviesrapport Paes

    Nadat in korte tijd het aantal kunstencentra in Brabant is teruggelopen, van 25 voor 56 gemeenten in 2011 naar 17 voor 30 gemeenten in 2015, heeft de provincie behoefte aan een analyse van wat er aan de hand is met de kunsteducatiesector. Sleutelfiguren uit het onderwijs- en cultuurveld vormen in 2015 onder leiding van Mariet Paes de commissie Paes. Zij concludeert in het eindrapport culturele dynamiek versterken dat de sector er niet goed voor staat en dat er hiaten in kennis zijn. De commissie doet aanbevelingen hoe de toegankelijkheid van de buitenschoolse cultuureducatie kan worden behouden en ziet hier een cruciale rol voor gemeenten als regisseur en investeerder in de lokale culturele infrastructuur. Als vervolg op het onderzoeksrapport is een actieplan ontwikkeld.

    Kunstbalie heeft met inzet van medewerkers en hun expertise bijgedragen aan de vorming van dit actieplan, in afstemming met de provincie, VBG en de gemeenten van Brabant.

    De provincie onderschrijft de conclusie van de commissie Paes​ dat het publieke deel van de kunsteducatiesector in Brabant er niet goed voor staat en de huidige ontwikkelingen de volgende consequenties zullen hebben:

      • De toegankelijkheid van de kunst- en cultuureducatie zal afnemen, met name voor mensen in achterstandssituaties. 
      • Het aanbod aan kunst- en cultuureducatie zal verder versplinteren, waardoor de zichtbaarheid van het nog bestaande aanbod zal verslechteren en de deelname aan kunst- en cultuureducatie dalen. 
      • Het aanbod aan lokale buitenschoolse cultuureducatie verschraalt met name op het platteland. Dat zal zijn weerslag hebben op de deelnamecijfers, de vitaliteit van het lokale culturele veld en uiteindelijk op de leefbaarheid van lokale gemeenschappen. 
      • De kunst- en cultuursector wordt een steeds onaantrekkelijker sector om in te werken, met hoge eisen en lage salarissen. Op termijn zullen minder mensen kiezen voor een kunstvakopleiding.

      Omdat de sector erg in beweging is en er weinig gegevens beschikbaar zijn, wordt als plan van aanpak in 2016 ingezet op de volgende vijf vraagstukken. Op basis van de resultaten wordt beleid ontwikkeld voor de periode 2017 – 2020.

      1. Kennis van de sector aanvullen
      Om de kennis over de Brabantse buitenschoolse cultuureducatieve infrastructuur uit te breiden stellen we een monitor in die meer zicht geeft op de toegankelijkheid en het gemeentelijk beleid ten aanzien van buitenschoolse cultuureducatie. Deze monitor kan tevens worden gebruikt om de effecten van het provinciaal beleid inzichtelijk te maken. Omdat elke lokale situatie anders is en het erop lijkt dat er geen eenduidig ideaal model gaat ontstaan, volgen we kansrijke ontwikkelingen, analyseren we de succesfactoren en verspreiden we de positieve resultaten. Door het beschikbaar stellen van innovatiegelden via de SOK regeling versnellen we de gewenste ontwikkelingen. We bieden coaching aan en volgen de projecten om de resultaten te delen.

      2. Gemeenschappelijke taal, begrippenkader en doelstelling ontwikkelen
      Het is begrijpelijk dat in een sector die in transitie is en waar weinig overzicht bestaat, er geen centraal begrippenkader is. Dat kan leiden tot spraakverwarring en onjuiste conclusies. Kunstbalie werkt aan een begrippenkader voor dit project zodat helder beleid kan worden geformuleerd. Daarin wordt met name gekeken naar het rapport “Meedoen is de kunst” (2014) van de Raad voor Cultuur. Hierin deelt de raad de zorgen over het voorzieningenstelsel voor actieve cultuurparticipatie. De raad erkent lokale keuzes maar vindt 5 basisvoorzieningen onontbeerlijk, namelijk:

        • Een goede locatie waar activiteiten en lessen kunnen plaatsvinden.
          Een programma, ofwel een divers aanbod van al dan niet gesubsidieerde aanbieders
        • Promotie: zorg voor bijzondere projecten waarbij mensen kennis kunnen maken met de kunsten.
        • Vindbaarheid via een netwerk: zodat zichtbaar is wat er gebeurt.
        • Toegankelijkheid: faciliteit dat voorzieningen voor iedereen toegankelijk zijn.

        De provincie kiest ervoor om ongewenste ontwikkeling af te remmen en gewenste ontwikkeling zoveel mogelijk te versnellen. Met gewenste ontwikkeling wordt bedoeld: “Het creëren van een stabiele situatie waarin er een Brabant brede infrastructuur is op het gebied van de cultuurparticipatie; een situatie waarin iedere Brabantse burger de mogelijkheid heeft zich cultureel te ontplooien.” Dit betekent niet dat er wordt gestreefd naar een herstel van de oude werkelijkheid, maar dat er wordt aangesloten bij lokale ambities, lokale oplossingen en mogelijkheden om gezamenlijk de Brabantse infrastructuur te vormen.

        3. Rollen definiëren van de betrokken overheden
        De commissie Paes heeft al adviezen gegeven aan de provincie en gemeenten die kunnen worden beschouwd als een eerste aanzet tot een rolbepaling. Deze adviezen liggen grotendeels in lijn met de rollen zoals de raad voor cultuur die formuleert. Op hoofdlijnen:

        Rol provincie

        • actief verantwoordelijkheid nemen als het lokaal belang wordt overstegen
        • bovengemeentelijk initiëren, stimuleren en coördineren op regionaal niveau rondom diversiteit en spreiding en promotie en vindbaarheid
        • ondersteuning bieden bij deskundigheidsbevordering
        • draagvlak verwerven bij gemeenten en grote organisaties 
        • komen tot een gezamenlijke en gedeelde analyse van de problematiek

          Rol van de gemeenten (cruciaal)

          • zorgen voor de 5 basisvoorzieningen
          • faciliteren dat voorzieningen voor iedereen toegankelijk zijn
          • zorgen voor aansluiting binnenschoolse-buitenschoolse cultuureducatie
          • zorgen voor ondersteuning en stimulering van lokale verenigingen (amateurkunst en erfgoed)
          • faciliteren van burgerinitiatieven
          • aanwijzen van een individu of organisatie als lokale regisseur van de culturele keten

          4. Het ontwikkelen van een doelstelling die aansluit bij de rollen en posities van de betrokkenen
          Samen met de Vereniging Brabantse Gemeenten en de provincie gaan we scenario’s ontwikkelen om vanuit een goede rolverdeling (provincie & gemeenten) de provinciale inzet tot stand te brengen in een uitvoeringsprogramma vanaf 2017. Daarbij ligt de focus op de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van overheden en (culturele) instellingen en wordt vooral samenwerking gezocht met (gemeentelijke) initiatieven. Naast reeds genoemde doelen (punt 1) denken we aan het ondersteunen van gemeenten in hun beleidsontwikkeling door middel van advies door experts van de provincie / Kunstbalie en aan het ontwikkelen van een zelfscan voor gemeenten over hun voorzieningenniveau. Dit kan gemeenten helpen bij het bepalen van een koers en tevens meer inzicht geven in de Brabantse situatie.

          5. Een strategie ontwikkelen om tot draagvlak te komen
          Kunstbalie en de provincie willen de problematiek van de buitenschoolse cultuureducatie blijven agenderen door het organiseren van bijeenkomsten, publicaties en scholing, vanuit het gedachtengoed van de commissie Paes. Wij gaan op zoek naar slimme manieren om gemeenteambtenaren op de hoogte te kunnen houden van ontwikkelingen.

          Lees meer
          Lees minder

          Nader onderzoek

          Kunstbalie heeft zich verdiept in de lokale buitenschoolse cultuureducatie en een aantal onderzoeken naast elkaar gelegd. Daarnaast heeft ze het PON de opdracht gegeven de kennis van de sector aan te vullen door een onderzoek naar zzp-ers in de kunsteducatie en het gemeentelijk beleid ten aanzien van de buitenschoolse kunsteducatie: Buitenschoolse cultuureducatie in Brabant (2016). Hierdoor ontstaat beter zicht op het aantal organisaties dat actief is en hoe zij functioneren, de deelname aan buitenschoolse cultuureducatie, en het beleid van lokale overheden. Het blijkt onder meer dat de sector versplinterd raakt: we zien een snelle groei van het aantal zelfstandigen en particuliere organisaties. Het merendeel van de zzp-docenten is gekwalificeerd om les te geven. Zij hebben over het algemeen een laag persoonlijk inkomen.

          Inzicht in de situatie van de lokale buitenschoolse cultuureducatie

          Een van de speerpunten in het actieprogramma buitenschoolse cultuureducatie, opgesteld door Kunstbalie en de provincie Noord-Brabant naar aanleiding van het rapport van de commissie Paes, is het aanvullen van onze kennis van de buitenschoolse cultuureducatie in Brabant. Daartoe heeft Kunstbalie het PON de opdracht verstrekt om met name het gemeentelijk beleid en de zzp-ers eens nader te beschouwen. Lees hier het onderzoek, aangeboden aan gedeputeerde Henri Swinkels tijdens de Intervisiebijeenkomst Buitenschoolse Muziekeducatie. Daarnaast heeft Kunstbalie gekeken naar andere onderzoeken die zijn gepubliceerd na het verschijnen van het rapport van de commissie Paes.

          Algemene gegevens ten aanzien van de actieve cultuurparticipatie
          41% van de Nederlandse bevolking kan worden gerekend tot actieve cultuurdeelnemers. Dat betekent dat zij de afgelopen 12 maanden een creatieve activiteit hebben gedaan. Uit de cultuurpeiling 2016 blijkt dat 55% van de Brabantse bevolking actief bezig is met cultuur. Dat is iets hoger dan in 2010 (53%). 

          De cultuurparticipatie in Nederland behoort tot de hoogste van Europa (na Scandinavië). Uit de Cultuurindex (2014) blijkt dat de cultuurparticipatie in Nederland licht daalt. In de periode 2007-2011 zien we een daling van het aantal mensen dat zingt (-14%), een muziekinstrument bespeelt (-17%), aan beeldende kunst (-26%) of aan podiumkunsten doet (-32%). Daaruit kan men concluderen dat de traditionele amateurkunstbeoefening daalt. Nieuwe vormen van amateurkunst (zoals mediakunst) worden in onderzoeken geschaard onder mediagebruik en niet onder amateurkunst. 

          Een derde van de beoefenaars volgt lessen of workshops; twee derde van hen volgt lessen bij een docent of een kunstenaar. Deze docenten zijn voor het overgrote deel zzp-ers; het bereik van de gesubsidieerde instellingen (centra voor de kunsten) is 15% (ruim 300.000 mensen).  

          3. Buitenschoolse cultuureducatie in Brabant. 

          Terugtrekkende overheid: bezuinigingen
          Er wordt fors bezuinigd op de gesubsidieerde organisaties in de buitenschoolse cultuureducatie. Kunstencentra worden gedwongen te stoppen (landelijk van 181 centra in 2009 naar 152 in 2013, in Brabant van 25 centra in 2009 naar 17 in 2015). Ook zien we dat het werkgebied van de overgebleven centra kleiner wordt. Wat betreft bezuinigingen op kunstencentra in Brabant lopen de kortingen uiteen van 5% tot 52%.
          cvk1.png

          ckv2.png
           afbeelding 1 en 2: werkgebieden van de centra in Brabant in juli 2012 en juli 2015. 

          Verandering dienstverlening centra
          De rol en opdracht van de overheid verandert snel en vraagt anno 2015 om een enorme flexibiliteit van organisaties. Gemeenten en andere opdrachtgevers willen wel betalen voor adequate en kwalitatieve uitvoering van taken en programma’s op het gebied van cultuur, maar voor hoe het bedrijf of de instelling ‘daarachter’ georganiseerd is, voelen ze zich niet langer verantwoordelijk. Onder meer de zware huisvestingslasten van veel kunstencentra en de weinig flexibele en dure cao Kunsteducatie, maakt dat zij niet of nauwelijks kunnen meebewegen met de markt. 

          De markt neemt dienstverlening over maar laat ook zaken liggen. Voor het aanjagen van projecten en het maken van verbindingen en het voeren van de regie, is minder (of geen) aandacht. Hier kan een belangrijke taak liggen voor de kunstencentra, als partij die vanuit een lokale publieke opdracht zich verantwoordelijk voelt voor de culturele levensloop (kennismaken, leren, doen) van de inwoners.  

          Voor het adequaat vervullen van deze rol is verandering nodig. Meer nog dan een verandering van het organogram, gaat het om een verandering van mentaliteit, van bedrijfscultuur en mogelijk zelfs van omgangsvormen. De kracht van het kunstencentrum nieuwe stijl zit hem in een sterke basis van programmamanagers (inhoud) en netwerkers (relaties, ophalen van de vraag, bouwen en onderhouden van de netwerken). 

          Ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector kunsteducatie 

          Hoeveelheid banen
          In 2015 telt Brabant in totaal 961vestigingen van kunsteducatie en 250 dansscholen. Het totaal aantal vestigingen van buitenschoolse kunst- en cultuureducatie komt daarmee op 1211. Deze vestigingen zijn goed voor in totaal 2712 banen (ongeacht het aantal uren) in de buitenschoolse kunst- cultuureducatieve sector in Brabant. Dit betreft 2150 banen in de kunstzinnige vorming en 562 banen bij dansscholen.  
          werkgelegenheid.png
          We zien een snelle groei van het aantal zelfstandigen en particuliere organisaties. Dit geldt niet alleen voor Brabant maar voor heel Nederland. Uit onderzoek blijkt dat er ongeveer 6600 kunst- en cultuur educatieve bedrijven actief zijn in Nederland. Daarvan zijn er ongeveer 6.000 zzp-er en 440 kleine ondernemingen met 2 tot 4 personen. Van de kleine organisaties ontvangt vrijwel niemand een subsidie. Waarschijnlijk is het aantal docenten in werkelijkheid nog wat hoger, zeker als het informele circuit wordt meegenomen als (lokaal) aanbod. Deze gegevens onderstrepen de constatering van de commissie Paes over de versplintering van de sector kunsteducatie. 

          Verwacht wordt dat het aantal banen in de sector redelijk stabiel blijft. Het is wel duidelijk dat het aantal reguliere banen in het publieke deel van de sector snel terugloopt. Op basis van deze data kan niet worden aangetoond hoeveel vaste banen verdwijnen en worden omgezet in zzp-constructies. De meeste organisaties zijn gematigd positief over de nabije toekomst maar onzeker over de financiën. 23% van de ondervraagden verwacht een stijging van het aantal cursisten, 18% verwacht een daling.  

          Arbeidsvoorwaarden 

          Weinig vaste banen
          De SER en de Raad voor Cultuur constateren dat het aantal zelfstandigen in de cultuursector met 20,4% is toegenomen. Dat is veel meer dan in andere sectoren (gemiddeld in Nederland een stijging van 9,6%). Zij constateren dat deze ontwikkeling met name zichtbaar is in de cultuureducatie; muziekdocenten die voorheen in dienst waren van muziekscholen, oefenen hun beroep nu zelfstandig uit. 

          Laag inkomen
          Werknemers in de cultuursector hebben over het algemeen een laag persoonlijk inkomen. Dit geldt ook voor docenten. Zzp-ers geven aan dat hun inkomen de afgelopen jaren is gedaald vanwege sterke concurrentie en de kleinere budgetten. Toch lijken zij hiermee akkoord te gaan omdat zij vaak dermate gespecialiseerd zijn opgeleid dat zij geen andere markten kunnen bedienen. Andere verklaringen zijn dat zij het werken in de sector zien als een investering in zichzelf, zij nog andere bronnen van inkomsten hebben en door hun passie voor het vak akkoord gaan met de lage prijzen. Vaak werken zij naast hun betaalde uren ook nog zonder honorarium om hun kansen in de toekomst te vergroten.  

          Gevolgen
          Eén van de gevolgen hiervan is dat een zzp-er niet voldoende inkomen heeft om een pensioen op te bouwen of een arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten. Slechts een op de vijf werknemers heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering; een kwart van de docenten bouwt pensioen op. Meer dan de helft van de docenten geeft aan niet of nauwelijks te kunnen rondkomen.  

          De kwaliteit van de dienstverlening

          Kwaliteit van de dienstverlening
          Zowel centra als particuliere organisaties zeggen docenten te selecteren met een goede vooropleiding. Echter net als in andere sectoren zijn er prijsvechters op de markt die werken met niet afdoende opgeleide en /of onderbetaalde docenten. Dit komt ook in Brabant voor; er zijn hierover geen harde gegevens beschikbaar. Uit het PON-onderzoek blijkt dat 75% van de docenten een kunstvakopleiding heeft afgerond. Beoefenaars lijken geen verschil in kwaliteit te ervaren tussen de kwaliteit van het onderwijs van particuliere docenten en docenten verbonden aan gesubsidieerde instellingen. Dat geldt eveneens voor de tevredenheid over de prijs van het onderwijs. 

          Toegankelijkheid van de buitenschoolse cultuureducatie

          Consument tevreden over toegankelijkheid van het aanbod
          Opvallend is wel dat ondanks de ingrijpende ontwikkelingen in deze sector de klant tevreden blijft over het aanbod aan kunstzinnige vrijetijdsactiviteiten. 62% van de Brabanders is tevreden over het aanbod in Brabant. Slechts 10% vindt het onvoldoende. Dat is in lijn met het landelijk beeld; slechts 7-9% van de Nederlandse bevolking vindt het aanbod onvoldoende.  

          Maar weinig beoefenaars constateren dat er de laatste twee jaar voorzieningen zijn weggevallen. Het lijkt erop dat de klant de omgevallen voorzieningen niet mist maar dat wil niet zeggen dat dat op termijn geen probleem gaat worden. Het LKCA stelt in de NMAK dat “hoewel er over het geheel genomen dus (nog) geen negatieve effecten van het wegvallen van gesubsidieerd buitenschools aanbod te zien zijn, kunnen er wel knelpunten ontstaan in bepaalde regio’s als daar onvoldoende zelfstandige ondernemers zijn of komen die zorgen voor vervangend aanbod.” 

          Voorzieningen in de buurt
          Mensen hechten aan voorzieningen in hun directe omgeving. Ook in Brabant is er behoefte is aan buitenschoolse cultuureducatieve voorzieningen in de eigen gemeente. 82% van de ondervraagden vindt dat buitenschoolse cultuureducatie binnen de eigen gemeente (tot max. 10 km van huis) gevestigd moet zijn. Dat geldt overigens ook voor bibliotheken (94%) en het verenigingsleven (86%).  

          Financiële toegankelijkheid
          Gemeenten proberen op verschillende manieren actieve cultuurparticipatie toegankelijk voor al hun burgers te houden. Zo verstrekt iedere gemeente subsidies aan culturele verenigingen zodat deelname aan het culturele leven laagdrempelig is. Met name de grotere gemeenten (B5, M7 en 7 kleinere gemeenten) subsidiëren nog steeds centra voor de kunsten met de intentie om aanbod nabij en financieel toegankelijk te houden. Gemeenten die hier niet voor kiezen verstrekken in sommige gevallen individuele subsidies (rugzakjes). De centra voor de kunsten in Brabant die nog ondersteund worden door de gemeente hebben vaak wel andere taken dan 10 jaar geleden. Zij richten zich meer op het verbinden, bemiddelen, toegankelijk maken en promoten van cultuureducatie. 

          Vrijwel alle gemeenten maken actief beleid om de kosten voor deelname en educatie voor mensen met een laag inkomen te beperken. Meestal wordt dit meegenomen in het armoedebeleid. Dertien gemeenten hebben via het Jeugdcultuurfonds Brabant fondsen gevormd om deelname van “arme” kinderen aan culturele activiteiten mogelijk te maken. Dit aantal groeit nog steeds; de provincie stimuleert gemeenten hieraan deel te nemen door middel van het verstrekken van een startbijdrage. Vier van de B5-gemeenten hebben een eigen jeugdcultuurfonds opgericht. Ook ondersteunen gemeenten andere organisaties met dezelfde doelstelling zoals stichting Leergeld. 

          Conclusie
          Uit deze onderzoeken ontstaat het beeld van een sector in een organisatorische omwenteling. Het publiek gefinancierde deel van de sector verdwijnt grotendeels; de organisaties die over blijven krijgen een ander profiel waarbij cultuurpromotie en aanjagen de belangrijkste taken zijn. Het terugtrekken van de (gemeentelijke) overheid is hier heel zichtbaar; er is weinig geformaliseerd beleid en er is weinig politieke aandacht. 

          De markt wordt nu nog verder overgenomen door de zzp-ers. De gevreesde versplintering is daarmee een feit. De zzp-er in de kunsteducatie heeft het niet makkelijk; over het algemeen een laag salaris en een slechte rechtspositie; toch wordt er weinig geklaagd, enerzijds omdat men nu eenmaal dit werk wil blijven doen en anderzijds omdat er een gematigd optimisme is over de toekomst. De klant lijkt geen problemen te hebben met de veranderingen; het onderzoek laat zien dat mensen tevreden zijn over de kwaliteit, de prijs en de afstand tot het huidig aanbod. 

          Onderzoekers en betrokkenen in de sector wijzen wel op het gevaar op de iets langere termijn; ze verwachten dat minder mensen kunstdocent willen worden; dat kan leiden tot schaarste en witte vlekken – plaatsen met name in het platteland – waar er weinig aanbod op het gebied van de kunsteducatie zal zijn. De vraag is echter of dit een specifiek probleem van de kunsteducatie is; het lijkt eerder een onderdeel van de trend waarbij mensen (en daarmee ook dienstverlening) naar de stad trekken.
          - Kunstbalie, oktober 2016

          Verder lezen? 
          Hieronder vind je verwijzingen naar documenten die meer informatie geven over bovenstaande thema’s. Sommige teksten zijn gebruikt bij het opstellen van dit document.  

          Landelijke gegevens
          • De arbeidsmarktpositie van de werknemers in de cultuursector (SER en RvC, 2016) 
          • Wie geeft er aan cultuur? (Boekmanstichting, zomer 2015)
          • Cultuur in de kanteling (LKCA, januari 2015)
          • Nieuwe Amateurkunst Monitor (LKCA 2015)
          • Manifest: onjuiste inzet zzp-ers bij centra voor de kunsten (OAK, mei 2014)
          • Meedoen is de kunst (Raad voor Cultuur, 2014)
          • Zicht op actieve cultuurparticipatie (LKCA, 2014)
          • Lokaal stelsel actieve cultuurparticipatie in transitie (LKCA, maart 2014)
          • Cultuur in beeld (ministerie van OCW, dec 2014).
          • Analyse bezuinigingen centra voor de kunsten en muziekscholen 2013

          Specifiek voor de Brabantse situatie: 
          • Buitenschoolse kunst- en cultuureducatie in Brabant (PON, 2016)
          • Cultuur en erfgoed in Brabant; de mening van de Brabantse burger (PON, 2016)
          • Culturele dynamiek versterken (Commissie Paes, 2015)
          • Visiedocument DOKe-Kunstbalie 2015 (Kunstbalie en DOKe, juli 2015)
          • Onderzoek behoeften amateurkunst Noord-Brabant (Kunstbalie en DOKe, nov 2011)

           

          Op basis van deze informatie verscheen een artikel van Max van Alphen in de publicatie 'Zicht op actieve cultuurparticipatie 2016 - thema's en trends in praktijk en beleid' van LKCA en FCP. Bestel het boek hier.

          Lees meer
          Lees minder

          Scan voor gemeenten

          Willen we de situatie in Brabant duurzaam verbeteren dan zullen de gemeenten overtuigd moeten raken van de nut en noodzaak van een goede culturele infrastructuur. Met name in kleinere gemeenten ontbreekt een coherent en goed onderbouwd cultuurbeleid. Momenteel ontwikkelen we een scan voor gemeenten waarmee zij inzicht kunnen verwerven in de manier waarop de buitenschoolse cultuureducatie in hun gemeente is geregeld. Deze scan kan de start zijn van de herijking van beleid bij gemeenten. Onze rol hierbij is informeren van gemeenten, aanjagen van de vernieuwing van beleid en (op verzoek) adviseren bij het opstellen van nieuw beleid. 

          Aanjagen en ondersteunen van goede voorbeelden

          Naast het blijven investeren in de basis en het stimuleren van beleidsontwikkeling bij (lokale) overheden is het nodig te investeren in experiment en vernieuwing bij lokale organisaties. Het afgelopen jaar hebben we de subsidieregeling SMO  namens de provincie uitgevoerd. Hierdoor hebben onder andere kunstencentra kansrijke projecten in de zorg kunnen opzetten, waarmee ze hun bredere maatschappelijke rol zichtbaar konden maken. Op deze manier laten we zien dat kunsteducatie ook kan worden ingezet voor maatschappelijke doelen. Hier liggen ons inziens kansen om kunsteducatie beter te verankeren in het lokaal beleid van de gemeenten. 

          Zichtbaar maken en delen van goede voorbeelden

          Door de good practices van lokale partijen die aan de slag gaan met experiment te delen, kunnen zij een provinciale voorbeeldrol vervullen. Via het online platform DepotC maakt Kunstbalie deze goede voorbeelden zichtbaar en zorgt zij voor verbinding. Het delen van kennis over deze voorbeelden draagt bij aan het versterken van de culturele infrastructuur.

          Ondersteunen van Jeugdcultuurfonds Brabant

          Het Jeugdcultuurfonds Brabant zorgt ervoor dat ook kinderen van financieel minder draagkrachtige gezinnen kunnen deelnemen aan kunst en cultuur. Het fonds is in 2014 opgericht; inmiddels zijn dertien gemeenten in Brabant aangehaakt. De provincie stimuleert de deelname van gemeenten aan dit fonds via een startbijdrage. Kunstbalie versterkt het Jeugdcultuurfonds Brabant met communicatieadvies, inzet van formatie en expertise over lokale aanbieders. Uiteindelijk streven we naar een ondernemend en zelfstandig opererend fonds.

          Max van Alphen

          Max van Alphen

          Senior Adviseur Kunsteducatie

          Kunsteducatie